Soorten onderzoeken
In het menselijk lichaam zijn vele (chemische) stoffen aanwezig. Bij goede gezondheid zijn de bestanddelen in de juiste hoeveelheden en verhoudingen aanwezig. Bij ziekte is er soms te veel van iets, of juist te weinig.
Zo kan het bloed van suikerpatienten te veel suiker (glucose) bevatten. En bij bloedarmoede zijn er te weinig rode bloedcellen. Laboratoriumonderzoek maakt echter niet altijd duidelijk of iemand gezond is of ziek. Er zijn honderden verschillende onderzoeken mogelijk.
Bij de meeste ziekten geeft vaak slechts 1 of enkele van deze onderzoeken een afwijkend resultaat. En bij sommige ziekten geeft onderzoek zelfs helemaal geen afwijkingen te zien. Het is dus onzin om zomaar onderzoek te doen. Het is de arts die - eventueel na overleg met de klinisch chemicus - beslist welke van de vele mogelijke onderzoeken nodig zijn. Het onderzoek moet de vragen van de arts beantwoorden. Daarom wordt alleen onderzocht waar de arts om vraagt.
Een groot gedeelte van de onderzoeken of analyses betreft bloedonderzoek (80%), maar ook andere materialen komen voor onderzoek in aanmerking, zoals urine, ontlasting, ruggenmergvocht, sperma en vocht verkregen uit puncties in lichaamsholten of gewrichten.
Algemeen
klinisch chemisch onderzoek
Algemeen klinisch chemisch onderzoek omvat het meten van hoeveelheden aan componenten die in de verschillende lichaamsvloeistoffen aanwezig zijn. Het betreft onder meer de bepaling van natrium, glucose, eiwit, cholesterol en van verschillende enzymen in het bloed. De meeste analyses van deze groep kunnen dag en nacht op afroep verricht worden.
Hematologisch
onderzoek
Dit betekent onderzoek van de verschillende soorten bloedcellen en omvat
onder meer het tellen van het aantal bloedcellen, het bepalen van het
vóórkomen van verschillende soorten cellen en het stadium van de ontwikkeling
waarin zij verkeren. De resultaten van deze celtellingen kunnen belangrijke
informatie geven over de productie van de rode en witte bloedlichaampjes
en de bloedplaatjes en hun onderlinge verhouding, hetgeen van belang is
voor de diagnostiek en de vervolging van bloedziekten, zoals leukemie,
lymfeklieraandoeningen, verschillende vormen van bloedarmoede en de al
dan niet gestoorde aanmaak van bloedplaatjes.
Bloedstollingonderzoek
Bij dit onderzoek gaat het om het opsporen van defecten in de bloedstolling. Dit kan zowel een tekort aan stolactiviteit zijn als een verhoogde stollingsneiging van het bloed. De meest bekende ziekte, waarbij een stolfactor ontbreekt is de bloederziekte. Het kan echter ook zo zijn, dat bij patiënten de stolcapaciteit kunstmatig laag gehouden moet worden in verband met de kans op trombose. Dan is het noodzakelijk dat het bloed regelmatig gecontroleerd wordt. Dit gebeurt via een stoltest en naar aanleiding van de uitkomst hiervan kunnen de mate van bloedverdunning en de dosering van de medicijnen vastgesteld worden.
Bloedtransfusie
Bij het verrichten van grote operaties, denk aan hart- en longchirurgie
en de operaties van aneurysmata (verwijdingen van de bloedvaten) is bloedtransfusie
nodig. Ook bij andere operaties en ziekten kan het voorkomen dat een patiënt
een bloedtransfusie nodig heeft. Bij het pre-operatieve onderzoek worden
testen uitgevoerd die noodzakelijk zijn om een probleemloze bloedtransfusie
mogelijk te maken. Hiertoe behoren het bepalen van de bloedgroep en de
rhesusfactor. Bovendien wordt het bloed onderzocht op de aanwezigheid
van (ongewenste) antistoffen tegen rode bloedcellen met minder voorkomende
bloedgroepen. Zonodig kan dan tijdig een bijpassende donor worden gezocht.
De kruisproef is één van de laatste testen die uitgevoerd wordt bij patiënten
die een transfusie nodig hebben; deze bestaat uit het in contact brengen
van serum van de ontvanger met rode bloedlichaampjes van de donor. Een
positieve kruisproef is een belemmering voor het toepassen van een bloedtransfusie.
Door al deze voorzorgen wordt het aantal ongewenste (en soms levensbedreigende)
bijwerkingen van een bloedtransfusie tot een minimum beperkt.
Urineonderzoek
Het urineonderzoek is van oudsher een beproefd middel (zo komen we weer even terug bij Hippocrates!) om belangrijke gegevens over de nieren en de urinewegen te verkrijgen. Dit geldt in het bijzonder voor het onderzoek van het urinesediment. Maar urineonderzoek kan ook nuttige gegevens opleveren over stoornissen die niet gelokaliseerd zijn in de nieren en de urinewegen, zoals glucosurie (in de volksmond ‘suiker in de urine’) bij diabetes mellitus patiënten (suikerziekte).
Immunologisch onderzoek
Immunologie is de wetenschap die zich richt op de bestudering van het afweermechanisme. Tot het immunologisch onderzoek wordt onder meer gerekend de diagnostiek van allergieën en reuma en het bepalen van eiwitten en immuunglobulinen die betrokken zijn bij het afweersysteem. Tijdens de ontwikkeling van de immunologie is gebleken dat monoclonale antilichamen (specifieke snuffelmoleculen) uitstekende hulpmiddelen zijn bij tal van laboratoriumonderzoeken. Deze monoclonale antilichamen vormden de basis voor de immunochemie die thans algemeen in de klinische chemie toegepast wordt.
Endocrinologisch
onderzoek
Het endocrinologisch onderzoek is het onderdeel van de klinische chemie dat zich bezighoudt met de hormonen. De ontwikkelingen in de immunochemische analysetechnieken hebben het mogelijk gemaakt de relatief kleine hoeveelheden aan hormonen snel en nauwkeurig te meten. Hierdoor kunnen verschillende ziektebeelden zoals bijvoorbeeld schildklierafwijkingen en vruchtbaarheidsproblemen beter worden gediagnosticeerd en er kan een juiste therapie worden ingesteld en vervolgd.
Speciële
scheidingstechnieken
Eén van de scheidingstechnieken die in het klinisch chemisch laboratorium wordt gebruikt is HPLC. De letters HPLC staan voor High Performance Liquid Chromatography. Dit is een fysische techniek waarbij complex samengestelde stoffen “uiteengerafeld” kunnen worden in aparte componenten, onder andere om hemoglobinemoleculen van elkaar te onderscheiden, wat van belang is voor diabetes-patiënten in verband met de instelling van dieet en insulinetherapie.
Beenmergonderzoek
Een klein gedeelte van de analyses betreft het onderzoek van beenmerg. Omdat in het beenmerg alle voorlopers van de bloedcellen aanwezig zijn, kan uit het beenmerg waardevolle informatie verkregen worden over stoornissen in de aanmaak van bloedcellen.
DNA diagnostiek
Eén van de nieuwste ontwikkelingen in de klinische chemie is de moleculaire
diagnostiek. Nadat Watson en Crick in 1953 het DNA hadden uitgevonden,
is de kennis omtrent ziekten die hun oorsprong hebben in ‘DNA defecten’
met grote sprongen vooruit gegaan. Ziekten zoals sikkelcel anemie, hypercholesterolemie
en leukemie kunnen het gevolg zijn van defecten in het DNA. Tot enkele
jaren terug was het opsporen van zulke defecten een tijdrovende bezigheid.
Door de opkomst van de zogenaamde polymerase ketting reactie is vandaag
de dag het opsporen van defecten in het DNA binnen een dag mogelijk.